De era van Ares?
Bron: Kennislink
Ruimtevaart na de Space Shuttle
“The next giant leap has begun.” Zo luidt de veelbelovende slogan van het Constellation-project van de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA. Na het korte, peperdure en zeer succesvolle Apollo-project (1968-1972) en het langdurige maar binnenkort voorbije Space Shuttle-tijdperk (1981-heden) is het binnenkort de beurt aan de Ares-raketten. Terug naar de maan moeten we, en door naar Mars. De eerste Ares-raket is onlangs gelanceerd bij wijze van test, en leek aan de verwachtingen te voldoen. Toch is niet iedereen het erover eens dat het Constellation-project daadwerkelijk een aardverschuiving in de ruimtevaart teweeg zal brengen.
Stel, je bent regeringsleider van een groot land en je besluit een ruimtevaartproject op te zetten. Wat worden dan je belangrijkste richtlijnen? Natuurlijk moeten de raketten en sondes volkomen veilig zijn, want het is voor niemand goed als er aan de lopende band astronauten ontploffen. Maar verder? Tijdens de ontwikkeling van het Amerikaanse Apollo-project, in de vroege jaren zestig, was de Koude Oorlog in volle gang. Een belangrijke drijfveer bij het opzetten van dat programma was dus, dat het beter moest zijn dan dat van de Sovjets. Zij hadden de eerste triomf, door de eerste mens in een baan om de aarde te lanceren. De lat voor het Apollo-project werd daarom enorm hoog gelegd: op de maan. En dat mocht wat kosten.

Afbeelding: © NASA
De megalomane Apollo
Het totale Apollo-project kostte 24 miljard dollar. Dat is de grootste uitgave die een land in vredestijd ooit aan zo’n soort project heeft gedaan. Die gigantische kosten waren ook de reden om het project vanaf 1972 plotseling dood te laten bloeden: de Amerikanen hadden de Russen afgetroefd met hun maanlanding, en er leek niet veel meer te winnen met het megalomane ruimtevaartproject. Maanmissies zijn duur en leken niet veel meer op te leveren, en zo verschoof zowel de Amerikaanse als de Russische focus langzaamaan naar langdurige aanwezigheid in de ruimte dicht bij aarde. Voor een ruimtevoertuig was het niet meer zozeer nodig dat hij snel was en ver kon komen, maar vooral dat hij niet te duur was en zo mogelijk herbruikbaar.
Het grootste succes uit de ruimtevaartperiode na Apollo is ongetwijfeld de Space Shuttle. Dit Amerikaanse toestel is zo ontworpen, dat het na een reis door de ruimte terug naar aarde kan keren en kan landen. Daarna kan het ruimteveer nogmaals gelanceerd worden. Van de vijf Space Shuttles die NASA vanaf 1981 bouwde zijn er nog steeds drie ruimtewaardig, hoewel ze steeds minder worden gebruikt en eind 2010 voorgoed op stal gaan. Daarmee zal na ruim 130 vluchten het Space Shuttle-programma worden beeindigd.
De vijf space shuttles van NASA op een rijtje: oud naar nieuw van links naar rechts. Challenger en Columbia zijn verongelukt, de andere drie shuttles zijn nog steeds ruimtewaardig. Afbeelding: © NASA
Tegen het einde van de Koude Oorlog werd rivaliteit in de ruimtevaart een minder belangrijk motief. Toch hielden veel landen hun interesse in deze spannende tak van wetenschap en techniek: per slot van rekening valt er een boel te leren door een kijkje buiten de aarde te nemen. Om met minder geld toch iets met ruimtevaart te kunnen doen gingen landen samenwerken. In 1975 sloegen de Europese landen hun handen ineen en vormden ze ESA, de Europese ruimtevaartorganisatie die zich qua ambities met NASA moest kunnen meten. Ook werden in die periode ruimtestations ontworpen. Deze al dan niet permanent bewoonde stations in een baan om de aarde moesten een relatief makkelijk bereikbare plaats worden om onderzoek in de ruimte te doen. De eerste echte ruimtestations waren het Amerikaanse Skylab en de Russische MIR. Toen het na de Koude Oorlog mogelijk werd om echt wereldwijd samen te werken, ontwikkelde een consortium van zestien landen het ambitieuze International Space Station (ISS). Dit ruimtestation zweeft al sinds 1998 boven ons hoofd, en wordt tegenwoordig permanent bewoond door een team van zes astronauten.
Ruimtevaartkriebels
De huidige ’state of the art’ in de ruimtevaart dateert dus uit de jaren tachtig. De Space Shuttles zijn verouderd en aan een welverdiend pensioen toe, en met het ISS hebben we het ook wel zo’n beetje gezien. Veertig jaar na de maanlanding is het nog steeds niet gelukt om een mens op Mars te zetten. Het is dan ook niet zo vreemd dat de ruimtevaartkriebels het afgelopen decennium weer zijn opgekomen bij een aantal grote landen. Hoewel de ambities van de Russen, de Chinezen en de Indiërs enorm zijn, zijn het de Amerikanen die de meest concrete plannen hebben gemaakt voor een nieuwe stap voorwaarts in de ruimtevaart. Hun visie op de toekomst is samengevat in Project Constellation, de opvolger van Apollo en de Space Shuttles.

Een artist’s impression van de Orion-capsule, waarin de bemanning van Constellation-missies zal zitten. De Orion-capsule zal gelanceerd worden door de Ares-I raket. De grote Ares-V raket wordt ontwikkeld om vracht de ruimte in te sturen, en zal niet bemand worden. Afbeelding: © NASA
Project Constellation werd in 2004 voorgesteld door president George W. Bush, en in 2005 goedgekeurd door het Amerikaanse Congres. De directe aanleiding voor dit nieuwe project was het verongelukken van Space Shuttle Columbia een jaar eerder. Het wees de Amerikanen erop dat NASA al heel lang niet met iets nieuws en visionairs was gekomen – en dat was wel nodig, volgens Bush. De doelen van Project Constellation zijn het uit gebruik nemen van de Space Shuttles, het afbouwen van het ISS, en het voor 2014 in gebruik nemen van een nieuwe lijn van ruimtevoertuigen: de Ares-raketten met de Orion-capsules voor astronauten. Die raketten moeten dan voor 2020 weer mensen op de maan hebben gebracht, en daarna ook verder weg. Daarbij wordt vooral aan Mars gedacht.



Laden...
Evenementen

