Paternoster

Wat is het IQ?

In mijn laatste nieuwsbrief schreef ik over de waarde van het IQ score. Als je geïnteresseerd bent in een meer technische uitleg, kun je de onderstaande tekst van Desirée Houkema lezen. Meer overdenkingen staan in haar scriptie. Zie link onderaan.

Feitelijk is het IQ eigenlijk niet uit te drukken in één getal, maar dient in verband met standaard meetfouten gesproken te worden van een interval, waarbinnen de score op de test valt met een betrouwbaarheid van 90 of 95%. Hoe groter de door de diagnosticus gekozen betrouwbaarheid, hoe kleiner dit interval. Bij een betrouwbaarheid van 95% is de grootte van dit interval vergelijkbaar of soms zelfs groter met de grootte van de categorieën waarbinnen kinderen gelabeld worden. Zo kan bijvoorbeeld een score van 129 zowel duiden op een “werkelijke” score in het bereik van de ‘zeer begaafden’ als op een score in het bereik van de ‘begaafden’, hetgeen dus meerdere categorieën omvat en waarmee de plaats in de rangordening dus ook varieert. Er is dus geen strikte grens te trekken bij een IQ “score” van 130. Hoewel een goede diagnosticus op de hoogte is van deze beperkingen van IQ scores en meerdere aspecten van een kind in een eventueel advies betrekt, gebeurt het helaas wel dat binnen beslissingsprocedures op een dergelijke rigide manier met IQ scores om wordt gegaan (Tellegen, 2004).

Een IQ score boven de 130 is in ieder geval een indicatie voor een hoge intelligentie. Dit wil echter niet zeggen dat iemand bij wie een lagere testscore gemeten wordt niet over een hoge intelligentie kan beschikken. Naast bovengenoemde kanttekeningen die inherent zijn aan de test, zijn er namelijk tal van factoren die een negatieve invloed kunnen hebben op de hoogte van de testscore: omstandigheden als het tijdstip van afname, vermoeidheid, storende omgevingsinvloeden tijdens de testafname, toevalsfactoren, etc. (Tomic & van der Molen, 1997; Tellegen, 2004).

Naast deze testgerelateerde aspecten zijn er ook aan de testpersoon gerelateerde aspecten, die er voor kunnen zorgen dat iemand lager scoort dan binnen zijn mogelijkheden zou liggen, zoals perfectionisme, faalangst, motorische beperkingen, etc. Iemand die bijvoorbeeld heel perfectionistisch is ingesteld, zal liever antwoorden “ik weet het niet” dan dat diegene het risico neemt om een eventueel fout antwoord te geven, wat niet wil zeggen dat hij het antwoord ook daadwerkelijk niet weet.

Er zijn nog vele andere redenen te noemen, waarom het niet raadzaam is om IQ scores als (enige) leidraad te nemen om te bepalen of iemand al dan niet tot de groep hoogbegaafden behoort. Scores op een intelligentietest hangen niet alleen af van de cognitieve mogelijkheden van de geteste, maar ook van de inhoud van de afgenomen test. Zo is bijvoorbeeld bij 460 kinderen onderzocht wat hun IQ score was op twee verschillende IQ testen, waaronder de WISC, waaruit bleek dat de correlatie tussen deze testen 0,86 was (Bleichrodt, et al., 1987). Oftewel, scores op een intelligentietest variëren enigszins van test tot test. Hoewel 0,86 geen lage correlatie is, kan dit wel resulteren in een andere ‘labeling’ met betrekking tot het scorebereik, waarin de verschillende IQ-scores vallen.
Verder is het zo dat de test-hertest betrouwbaarheid (stabiliteit) van een IQ test een correlatie van ongeveer 0,7 oplevert bij kinderen. Dit is onder andere het gevolg van eerder genoemde factoren, maar ook doordat er bij een latere afname verschillen zijn in de ontwikkeling die iemand heeft doorgemaakt en er andere normgroepen gehanteerd worden (Lohman & Korb, 2006). Al deze factoren meegenomen betekent dit concreet dat van de groep, die bij een eerste testafname een score boven de 130 heeft behaald, slechts 30-50% enkele jaren later bij een volgende testafname weer een dergelijke score behaald.

Dit is een bekend verschijnsel dat inherent is aan de achterliggende statistische aannames en bekend staat als regressie naar het gemiddelde: wanneer iemand een extreem hoge score behaalt, is de kans groot dat hij bij een tweede testafname een lagere score haalt. De reden hiervan is dat bij extreem hoge scores er een relatief grotere bijdrage is van toevalsfactoren, waarvan de kans dat dit bij een tweede afname weer op dezelfde wijze uitpakt klein is. Over het gemiddelde van de normgroep of populatie zullen dergelijke effecten tegen elkaar uitmiddelen, maar in individuele gevallen zal dit zich met name bij hoge scores uiten (Tomic & van der Molen, 1997). Andersom geldt dan dus dat iemand die tijdens de eerste testafname niet boven de 130 scoorde, dit bij de tweede testafname wel kan scoren (Lohman & Korb, 2006).

Oftewel, een IQ score is niet dusdanig betrouwbaar vast te stellen dat het gebruikt kan worden als selectiecriterium (>130). Indien dit wel gedaan wordt, levert het niet steeds dezelfde groepering op. Het zal duidelijk zijn dat dit implicaties heeft voor selectieprocedures voor deze groep leerlingen, die gebaseerd zijn op de IQ “status” en het al dan niet toegelaten worden tot onderwijsvoorzieningen voor hoogbegaafde leerlingen (Lohman & Korb, 2006).

De volledige scriptie kun je hier downloaden.

Share

Reageer

 

 

 

*