Paternoster

Afstemming onderwijs

Waarom een aangepast programma voor hoogbegaafden?

Een aangepast programma voorziet in de behoefte van hoogbegaafde leerlingen en hun speciale manier van leren (Olszewski-Kubilius, 1989):

  • specifieke behoefte aan uitdaging en snelheid
  • instructie die verder gaat dan wat de school kan bieden (Bloom, 1985)
  • contact met intellectuele peers
  • zorg voor ondervertegenwoordigde groepen
  • voorkomen van onderpresteren (Rimm, 1991)

Soorten aanpassingen

Begaafde leerlingen laten pas bij echt moeilijke taken zien wat ze kunnen. Door het oplossen van moeilijke taken kan ook de begaafde leerling competentiegevoelens ontwikkelen. Lodewijks (1993) noemde dit de “kick van het kunnen”. Dit op zijn beurt motiveert hen om door te zetten. Differentiatie van de leerstof is dus in eerste instantie niet bedoeld om nog meer kennis op te doen, maar dient de ontwikkeling van een optimale werkhouding. Binnen het voortgezet onderwijs zijn al meerdere scholen toegerust om hoogbegaafde leerlingen geschikt onderwijs te bieden.

In de literatuur worden verschillende aanpakken beschreven. Hieronder volgt een korte bespreking van verschillende scenario’s (Drent & van Gerven, 2007).

A.     Versnellen

B.      Verbreding of verdieping

C.     Compacten en verrijken

D.     Projectmatig onderwijs (niet alleen voor hoogbegaafden)

E.      Draaideurmodel (grote keuzevrijheid voor leerling)

F.      Plusklas

G.     Probleemgestuurd onderwijs (PGO)

A. Versnellen

De leerlingen mogen sneller het traditionele onderwijssysteem doorlopen (Southern, Jones & Stanley, 1993; Gallagher, 2003). Dit kan op vele manieren. Zo kan de leerling materiaal worden aangeboden uit één of meer hogere klassen (Gallagher, 2000). Andere mogelijkheden zijn vervroegde toelating tot school, overslaan van klassen, deeltijd in hogere klassen en klassikale versnelling. Een andere manier om de leerlingen versneld door de leerstof te voeren, is die van tempodifferentiatie: de docent schrapt geen lesstof, maar goede leerlingen worden in de gelegenheid gesteld om in hun eigen – hoge – tempo door de stof te gaan en op die manier tijd te winnen voor het werken aan een verrijkingsopdracht. In het geval van tempodifferentiatie krijgen alle leerlingen van een klas dezelfde studiewijzer. In de studiewijzer geeft de docent aan welke stof een goede leerling af moet hebben alvorens hij aan een verrijkingstaak mag beginnen.

B. Verbreding of verdieping

Verbreding/verdieping en verrijking betekent niet méér werk voor de leerlingen, maar ander werk. Verbredingsstof is leerstof met een hoge moeilijkheidsgraad en een grotere nieuwswaarde dan de reguliere lesstof. Het is de bedoeling dat de betere leerling door de aangeboden verdiepingsstof vakinhoudelijk nieuwe kennis verwerft en zijn metacognitieve vaardigheden oefent. Dat laatste houdt in dat de leerling leert denken over zijn motivatie en het leerproces.

C. Compacten en verrijken

“Compacten” betekent het indikken van de leerstof door al het voor (hoog)begaafde leerlingen overtollige weg te laten, een speciale vorm van versnellen dus.

Verrijkingsopdrachten zijn bij voorkeur open, wat wil zeggen dat zij op meerdere manieren op te lossen zijn. Op deze manier wordt bij hoogbegaafde leerlingen het creatief denken gestimuleerd alsmede het doen van onderzoek. De leerlingen kunnen op deze manier zelf ideeën over de oplossing ontwikkelen en dat leidt meestal tot onverwachte vondsten en oplossingen. De leerstof moet zich richten op een echt publiek en op reële en feitelijke problemen (Bonset, Ebbers & Wientjes, 2003). De leerinhoud dient gericht te zijn op abstracte begrippen en generalisaties. Concrete en feitelijke gegevens, zoals voorbeelden en tekeningen, kunnen worden weggelaten. Herhaling, gericht op memoriseren en oefenen, is veelal van weinig belang. Het is belangrijk dat het onderwijsprogramma verrijkend is en dat het nieuwe leerstof bevat.

Er zijn theoretische modellen voor verrijken. Een aantal wordt genoemd in het onderzoek “Onderwijsaanpassingen voor hoogbegaafde leerlingen” (Hoogeveen, van Hell, Mooij & Verhoeven, 2004).

D. Projectmatig onderwijs

Projectonderwijs is vakdoorbrekend. Het komt voor in combinatie met versnellen of compacten. De vrijkomende tijd wordt door groepen leerlingen besteed aan een project, eventueel te kiezen uit een aantal projecten.

E. Draaideurmodel

In dit scenario wordt versnellen gevolgd door verbreding in de vorm van individuele

keuzeactiviteiten buiten klasverband. De leerling kiest zelf onderwerp en

presentatievorm. Aan de activiteit wordt meestal buiten de lessen gewerkt.

F. Plusklas

Dit type onderwijs heb ik tijdens mijn onderzoek niet aangetroffen. Toch zal ik schetsen waar het bij een plusklas om gaat, omdat het op andere (niet door mij onderzochte) scholen in Nederland wel wordt toegepast.

Leerlingen die werken in een plusklas verblijven het grootste deel van de tijd in de reguliere groep, maar verlaten die voor een deel van de schoolweek om naar een speciale groep te gaan met andere begaafde leerlingen. Dit kan variëren van enkele uren tot enkele dagen per week. De bedoeling is dat binnen deze groep (beter) tegemoet wordt gekomen aan de speciale intellectuele en academische behoeften van deze (hoog)begaafde leerlingen (Moon & Feldhusen, 1995).

Van belang is dat meerdere aanpassingen voor hoogbegaafde leerlingen beschikbaar zijn, zodat het reguliere programma voor verschillende leerlingen op eventueel verschillende momenten op de meest adequate manier kan worden aangepast. Dit geldt zowel voor versnelling als voor verrijking en compacting (Mooij, Hoogeveen, Driessen, van Hell & Verhoeven, 2007).

G. Probleemgestuurd onderwijs (PGO)

Dit type onderwijs wordt regelmatig gebruikt op de onderzochte scholen. Daarom volgt hier een uitgebreide beschrijving.

PGO is oorspronkelijk ontwikkeld om het onderwijs beter te laten aansluiten bij competenties die studenten wo en hbo dienen te hebben voor de uitoefening van complexe taken of de uitoefening van een functie. Het heeft dan ook nadrukkelijk een vakoverstijgend karakter en is sterk praktijkgericht. Vanwege de doelstellingen is PGO ook geschikt voor (hoog)begaafde kinderen in het voortgezet onderwijs.

Er worden individuele- en groepsprocessen gehanteerd, waarbij een zogenaamde tutor de rol heeft van procesbegeleider en (bijna) nooit van inhoudelijk deskundige. De inhoudelijke begeleiding en/of beoordeling vindt plaats door de desbetreffende vakinhoudelijke deskundige, i.c. de vakdocent.

De werkvormen in groepen dienen vooral voor het bereiken van de competentie ’samenwerken’, die in veel taken en functies vereist is en zeker ook voor meer- en hoogbegaafde leerlingen als een belangrijke vaardigheid kan worden gezien.

Bij probleemgestuurd onderwijs stemt de school af op de behoeften, de stage-activiteiten en de belangstelling van de leerling. De rol van de docent is hierbij vooral die van taakbegeleider.

Kenmerk van PGO is dat leerlingen in groepen een voorgelegd probleem (her)definiëren, analyseren, verklaringen bedenken en vervolgens een leervraag formuleren en taken verdelen. De taken (het verzamelen van informatie) worden zelfstandig uitgevoerd, waarna in de groep wordt gerapporteerd en de nieuwe informatie aan de eerder geformuleerde verklaringen wordt getoetst. Dit kan eventueel leiden tot een nieuwe cyclus. Toetsing van het resultaat en het proces kan zowel op individueel als op groepsniveau plaatsvinden.

Binnen het voortgezet onderwijs bieden het studiehuis, de vernieuwde tweede fase en de profielen ruim voldoende aanknopingspunten in de vorm van vakoverstijgende leerdoelen, eisen tot samenwerking en zelfstandigheid. Voor de meer- en hoogbegaafde leerlingen biedt PGO vooral ook mogelijkheden door de eisen die worden gesteld aan zelfstandigheid bij het uitvoeren van taken en het leren formuleren van eigen leerdoelen, alsook reflectie op de eigen aanpak.

Ook Span (2001) wijst in ‘Onderwijs aan begaafde leerlingen in het VO’ op het belang van metacognitieve vaardigheden die de leerling zelf moet ontwikkelen en leren toepassen. Het huidige onderwijs is daar veelal nog te sturend in met te weinig ruimte voor het feitelijk toepassen en evalueren van de meta-activiteiten (bron: CPS).


Graag help ik uw school bij het opzetten van beleid of bij het adviseren van leerkrachten inzake onderwijsaanpassing. Neem vrijblijvend contact met mij op.