De afgelopen tijd heb ik veel gesprekken op scholen gevoerd waarbij het telkens op hetzelfde neerkwam: uitleggen aan de leerkracht  en de intern begeleider waarom het betreffende hoogbegaafde kind niet laat zien wat het kan. Leerkrachten en ouders beseffen vaak niet dat het onderpresteren al in de kleuterklas begint en dat het voornamelijk te maken heeft met het gebrek aan uitdaging op het ontwikkelingsniveau van het kind. Zonder onderwijsaanpassing leren hoogbegaafde kinderen vrijwel niets, met alle gevolgen van dien: het niet verwerven van kennis, niet tegen hun grenzen aanlopen, niet leren omgaan met falen en het maken met fouten tot aan het niet leren van vaardigheden.

De belangrijkste reden voor chronisch onderpresteren van hoogbegaafde kinderen lijkt te zijn enerzijds het gebrek aan steun en anderzijds het gebrek aan erkenning van hun intellectuele potentieel, tijdens de jonge jaren. Als hoogbegaafde kinderen niet al vanaf heel jonge leeftijd academisch uitgedaagd worden, vinden ze het werk op school te gemakkelijk,  gaan ze zich vervelen, ontwikkelen zij een slechte werkhouding en hebben regelmatig negatieve gevoelens over school.

Op de basisschool maken hoogbegaafde kinderen de meeste opdrachten af zonder enige inspanning, waardoor ze zich niet leren inspannen en dus ook niet getraind worden in doorzetten. Ze weten niet wat werken betekent. Ze weten vaak de meeste stof van het volgend schooljaar nog voordat ze de boeken hebben gezien. Ze vervelen zich continu en dat gaat door gedurende de hele basisschooltijd. Pas op de middelbare school ontdekken de meeste hoogbegaafde kinderen dat ze nooit hebben geleerd te leren en door te zetten. Kinderen moeten vroeg leren dat er een verband bestaat tussen inspanning en resultaat. Dat creëert een gevoel van interne controle dat goed presterende kinderen onderscheidt van onderpresteerders.

Het mechanisme van onderpresteren

Onderpresteerders is de mogelijkheid ontzegd te bouwen aan zelfvertrouwen, omdat ze de relatie tussen proces en resultaat en tussen inspanning en prestatie niet hebben ervaren. Bovendien ervaren hoogbegaafde kinderen geen gezonde competitie met anderen. Als gevolg van slechte studiegewoontes, slechte organisatievaardigheden en verdedigingsmechanismen (ik wist het niet, daar had ik geen tijd voor, ik wist niet dat dat ook moest) hebben deze kinderen vaak het gevoel dat ze geen controle hebben over hun succes op school. Onderpresteerders geloven er vaak niet in dat ze werkelijk kunnen presteren en hun doelen kunnen bereiken, zelfs al zouden ze harder werken en erkennen dat hun gebrek aan inzet de oorzaak is van hun probleem.

Ze voelen zich gevangen in een cyclus van onderpresteren en zolang deze cyclus doorgaat, voelen ze zich minder en minder competent. Ze willen beter presteren maar weten niet hoe. Misschien ontbreekt het hen aan belangrijke leervaardigheden en misschien hebben ze kennishiaten. Ze voelen zich hulpeloos en hopeloos naarmate het gat tussen waar ze zijn en waar ze zouden moeten zijn groter wordt. De druk om te presteren leidt tot lage verwachtingen van zichzelf, welke weer leiden tot gedrag dat hun zwakke, door angst of falen bedreigde zelfconcept beschermt. Onderpresteren blijft groeien totdat iets of iemand planmatig of spontaan ingrijpt om de cyclus te doorbreken.

Het onderpresteren doorbreken

Als leerkrachten en ouders het onderpresteren willen keren is het belangrijk dat zij zich realiseren dat er geen kortetermijnoplossing bestaat. De meest effectieve benadering is eerst meer te weten te komen over de motivatiedynamiek die het onderpresteren veroorzaakt. Daarna kunnen gepaste aanpassingen in het schoolprogramma aangebracht worden – in samenwerking tussen de leerling, de school en de ouders.

Sterke punten eerst!

Als de oorzaken van onderpresteren van een kind onderzocht moeten worden, begin altijd met de focus op zijn sterke kanten; een benadering van de andere kant – gebreken eerst – moedigt het kind aan zich nog meer dan voorheen te concentreren op zijn zwakke kanten. Het onderzoek moet leiden tot het vinden van manieren om het kind te betrekken bij het zoeken naar persoonlijke talenten en interesses. Hiermee bouw je aan het vertrouwen en sterk je het kind in het beheren van probleemgebieden.
Naast de sterke punten moeten ook de ontbrekende vaardigheden en kennishiaten worden geïdentificeerd, waarna de leerling ondersteuning moet krijgen voor het inhalen van deze hiaten. De begeleiding moet zich richten op de sterke kanten en talenten waardoor de leerling kan laten zien wat hij kan, terwijl hij daarnaast aan het verbeteren van ontbrekende of slechte vaardigheden werkt.

Hoe wordt dit een succes?

Om succesvol te zijn is het belangrijk dat de leerling actief betrokken is bij het programma en dat hij voortdurend ondersteuning krijgt van zijn ouders, docenten en hoogbegaafdheid-coördinator/zorgcoördinator. Indien mogelijk zou een docent die het vertrouwen van de leerling heeft het programma moeten coördineren. Programma’s voor het keren van onderpresteren zullen een grotere kans van slagen hebben als ouders en docenten samenwerken door hun kennis te bundelen, waardoor een completer en nauwkeuriger beeld ontstaat van de motivatiekarakteristieken en onderwijsbehoeften van de leerling.

Kenmerken van onderpresterende hoogbegaafde kinderen kunnen zijn:

  • Gebrek aan zelfvertrouwen
  • Bang om te falen
  • Bang om succes te hebben
  • Gebrek aan academische vaardigheden
  • Gebrek aan doorzettingsvermogen
  • Gebrek aan doelgericht werken
  • Zwak zelfconcept en lage eigendunk
  • Overdreven behoefte aan aandacht
  • Vermijden van verantwoordelijkheid
  • Gevoel van waardeloosheid/laag zelfbeeld
  • Vermijden van competitie
  • Negatieve gedachtepatronen (bv. denken dat ze niet slim zijn ondanks een IQ test, het gevoel dat ze niet kunnen slagen ondanks hun hoge intelligentie)

Tot slot

Elk onderpresterend hoogbegaafd kind heeft speciale karakteristieken, talenten en uitdagingen die een uniek respons vereisen. Door hun lage zelfbeeld hebben hoogbegaafde onderpresteerders mentoren nodig of rolmodellen met wie ze zich kunnen identificeren en die ze in vertrouwen kunnen nemen ( Rimm, 1986, 2001). Hier komt belangenbehartiging in beeld: door de ouders of door ingeschakelde specialisten. In veel opzichten is het aanpakken van onderpresteren afhankelijk van deze hulp; iemand moet namens het kind pleiten voor een andere aanpak. De kinderen kunnen de moeilijke periode op school te boven komen met hulp van iemand die overtuigd is van hun succes als ze dat zelf niet zijn, die om hen geeft als ze zich alleen of inadequaat voelen en die hen steunt bij hun twijfels en angsten. Dit kan de richting van een kinderleven veranderen. En dit is wat wij moeten doen voor onze onderpresterende kinderen.

Graag lees ik je reactie!