Trauma bij hoogbegaafde en uitzonderlijk begaafde mensen
Er voltrekt zich een stil maar diep ingesleten manier van handelen binnen de manier waarop wij naar kinderen kijken die vastlopen, een manier van handelen die zo vanzelfsprekend is geworden dat zij nauwelijks nog bevraagd wordt en juist daardoor haar invloed blijft uitoefenen: het kind wordt uit zijn context gehaald om begeleid, ondersteund of “geholpen” te worden, terwijl diezelfde context, waarin de wortels van zijn ervaring liggen, grotendeels intact en onaangeraakt blijft. Het kind moet “geholpen” worden, maar de oorzaak ervan (de ouder) blijft ongemerkt.
Kinderen die geen aansluiting vinden in de klas, die niet begrepen worden in hun intensiteit, hun snelheid van denken en voelen, hun manier van waarnemen en betekenis geven, worden verwezen, vaak met de beste intenties en een oprecht verlangen om iets te verzachten of te verbeteren en toch verplaatst de aandacht daarmee vrijwel automatisch naar het kind als drager van het probleem, in plaats van naar het veld waarin dat kind dagelijks leeft en gevormd wordt.
En juist daar ontstaat een vraag die zelden werkelijk wordt toegelaten.
Omdat zij niet alleen over het kind gaat, maar over alles wat het kind omringt en draagt.
Waar leert een kind wat eigenwaarde is, niet als idee of als aangeleerde vaardigheid, maar als een innerlijke positie die voelbaar wordt in keuzes, in grenzen, in de mate waarin iemand zichzelf inneemt zonder zich te verliezen in de verwachting van de ander?
Dat leer je in relatie.
En in de eerste plaats, thuis.
Waar ziet een kind hoe trouw blijven aan jezelf eruitziet wanneer de omgeving, expliciet of subtiel, iets anders vraagt, wanneer aanpassing wordt beloond en authenticiteit spanning oproept?
Waar wordt zichtbaar hoe grenzen niet alleen begrepen, maar ook belichaamd en uitgesproken worden, zonder terugtrekking en zonder hardheid?
Dat ontstaat niet in een afgebakend uur per week, los van een anker van het dagelijks leven, maar in de voortdurende relatie waarin een kind opgroeit, in de kleine en grote momenten waarin het waarneemt wat er onder woorden leeft.
Het kind leert van zijn ouders.
En in die relatie wordt zichtbaar wat vaak buiten beeld blijft.
Het is niet verborgen, het “opvoeden” lijkt juist zo vertrouwd dat het niet langer als verstoorde dynamiek wordt herkend: twijfel die geen taal krijgt, aanpassing die verfijnd en sociaal gedragen is, een zoeken naar bevestiging dat zich heeft verweven met functioneren en daardoor nauwelijks nog wordt bevraagd.
De focus is vrijwel altijd op het kind, zelden op de ouder, terwijl de ouder leidend is.
Hoogbegaafde kinderen nemen dit niet alleen waar, zij belichamen het, vaak scherper, sneller en met minder interne demping dan de volwassenen om hen heen, waardoor dat wat impliciet is zichtbaar wordt in hun gedrag, hun vragen, hun terugtrekking of hun verzet. Ik heb gesprekken met tieners, wiens ouders zich krampachtig verzetten tegen elke zelfreflectie. In dat geval help ik de tiener, want daar ben ik voor. De ouder loopt zijn eigen pad en kan niet gedwongen worden zijn angsten onder ogen te zien. De bereidheid tot verandering moet volledig vrijwillig en vanuit zelfinzicht ontstaan.
De ouders dragen zichtbaar wat onzichtbaar bleef en wordt duidelijk door hoe de ouder over zijn kinderen praat, wat logisch voelt en richting lijkt te gewen maar wat de aandacht verplaatst naar een laag (het kind) die begeleid kan worden, terwijl de laag (de ouder) die niet uitbesteed wil worden buiten schot blijft.
De werkelijke verandering voor het kind begint bij de ouder
Zolang de ouder zichzelf niet volledig inneemt, in eigenwaarde, in zelfbeeld, in het vermogen om grenzen te voelen en te leven, blijft het kind zoeken naar een anker dat nog niet volledig belichaamd is binnen zijn directe omgeving.
In het kind ontbreekt niets en is niets mee aan de hand.
Maar een hoogbegaafd, hoogsensitief kind, levend vanuit het hogere bewustzijn, ontwikkelt binnen een veld waarin alles met elkaar samenhangt en waarin de innerlijke positie van de ouder geen abstract gegeven is, maar een voelbare realiteit die doorwerkt in alles wat het kind waarneemt en tot zich neemt. Als daarin verandering komt, verandert de dynamiek en dat komt niet door een of andere techniek of interventie, maar als een direct gevolg van een verandering in de onderliggende structuur van de relatie omdat de ouder zelfinzicht ontwikkelt.
Pas daarna en alleen wanneer het werkelijk iets toevoegt, kan er ruimte ontstaan om ook met het kind te werken, bijvoorbeeld in contact met ontwikkelingsgelijken, als spiegel, als inspiratie, als uitbreiding van het veld waarin het zich beweegt. Dan vind ik gesprekken met kinderen zinnig. Maar de basis is niet daar.
En dus ontstaat er, voorafgaand aan de vraag of een kind coaching nodig heeft, een andere vraag die niet omzeild kan worden zonder de kern te missen:
ben ik bereid om zelf te kijken, te reflecteren en te groeien, op een niveau dat zich niet laat delegeren, ben ik bereid mijn macht terug te nemen?
Als je voelt dat dit nodig is zal zich een andere ingang openen, een die niet gericht is op het oplossen van het kind, maar op het innemen van de plek door de ouder van waaruit een kind werkelijk kan ontstaan.