Naast het algemene IQ (totaal IQ of TIQ) worden in de meest gebruikte tests nog twee andere IQ’s berekend: VIQ (verbaal IQ) en PIQ (performaal IQ). Beide worden becijferd aan de hand van de som van de ruwe score van een bepaalde groep subtests. Bij hoge IQ’s verschijnt er vaak een groot verschil tussen VIQ en PIQ (en tussen de subtesten onderling). Dit wordt soms een V/P kloof genoemd.

Een wijd verspreide mythe in Nederland (in het buitenland is dit al lang achterhaald) is dat een ‘groot’ verschil tussen het VIQ en het PIQ (meer dan 12 ‘punten’ wordt soms gezegd) zou duiden op een of andere stoornis. Bijna alles is al de revue gepasseerd: zowel perfectionisme, faalangst, motorische problemen, AD(H)D, dyslexie, dyscalculie als autisme en NLD worden ermee in verband gebracht. Vaak wordt dit verband “ontdekt” door een hulpverlener die in zijn of haar eigen praktijk merkt dat de kinderen, die met een of ander “probleem” aangemeld worden, geregeld zo’n kloof hebben. Zonder controlegroep kan men echter helemaal geen sluitende conclusie trekken! Een grote discrepantie tussen VIQ en PIQ bij kinderen met een hoog IQ is meestal geen enkele reden tot ongerustheid of noodzaak tot verder onderzoek.

De zogenaamde V/P kloof heeft bij hoogbegaafde kinderen te maken met de opbouw van de WISC test (deze is gemaakt om een gemiddeld IQ te testen) en met de karakteristieken van hoogbegaafdheid, zoals asynchrone ontwikkeling (zie uitleg verderop – een kind loopt cognitief ver voor op zijn leeftijdgenoten, maar zijn motoriek is leeftijdadequaat ontwikkeld).

Nog meer over de zgn. v/p kloof kun je hier lezen.