Met doortoetsen wordt bedoeld dat je een kind doortoetst totdat het uitvalt. Tot de grenzen gaan.

In mijn voorbeeld heb ik het over een kind waarvan vermoed wordt, dan wel waarvan je zeker weet dat het hoogbegaafd is of een grote ontwikkelingsvoorsprong heeft. De school kan het doortoetsen doen met leerstofonafhankelijke toetsen, zoals de CITO-toetsen, en ze kunnen het doen met leerstofafhankelijke toetsen. Dit zijn de toetsen die specifiek horen bij de methode waar uit gewerkt wordt.

Stel dat een leerling nu in groep 3 zit en je wilt weten wat het niveau is, dan begin je met de CITO toets die het dichtst in de buurt is. Is er pas zo’n toets gedaan, dan pak je de volgende. Wanneer dit kind de CITO toets op eind niveau groep 3 maakt met A en/of B scores, dan pak je de CITO van half groep 4, dan einde groep 4 enzovoort. En dan ga je door tot daar waar het kind D scores gaat halen. Dan heb je het over een laaggemiddeld niveau. Een hoogbegaafd kind is in feite toe aan de leerstof van die klas waar het D scores voor haalt. Met die scores zou een gemiddeld tot iets minder dan gemiddeld begaafd kind over zijn gegaan naar die groep. Een hoogbegaafde leerling zit nu op zo’n niveau dat het wat te leren heeft. Dat houdt de aandacht scherp en wanneer het kind er ook nog een beetje moeite voor doen, is dat alleen maar goed voor de ontwikkeling van een reëel zelfbeeld. Zodra dit kind over het geheel genomen op het gemiddelde niveau van de hogere klas zit, heeft het verbreding enzovoort nodig, anders zal het probleem zich herhalen. Het kan dus zijn dat een kind voor wat betreft de CITO toetsen maar zo 2 jaar zou kunnen versnellen. Een enkele keer doet men dat dan ook, maar meestal wordt het in 2 of zelfs 3 stappen gedaan

Doortoetsen met leerstofafhankelijke toetsen gaat als volgt: je biedt de leerling de toets aan van het eerstkomende hoofdstuk uit de methode dat nog niet (klassikaal) is behandeld. Wanneer de toets op beheersingsniveau wordt gemaakt, en dat is niet hetzelfde als 0 fouten, wordt de volgende toets aangeboden en zo verder. Op zeker moment gaan er fouten gemaakt worden en dan moet je deze analyseren. Zijn het steeds dezelfde soort fouten, dan volgt instructie over dat leerstofonderdeel. Zijn het fouten door de hele toets heen, dan volgt instructie over het hele hoofdstuk. Hierbij kun je zien hoe snel de leerling nieuwe leerstof oppikt en nieuw verworven vaardigheden weet te gebruiken. Valt de leerling ook bij het volgende hoofdstuk uit, dan heb je ongeveer het niveau bepaald waarop deze leerling functioneert. Dan zou deze leerling onderwijs moeten gaan krijgen op dit niveau. Daarbij moet rekening gehouden worden met het feit dat deze leerling sneller leert en minder leerstappen nodig heeft dan andere leerlingen. Dit heeft dus tot gevolg dat het nodig is de leerstof in te dikken en daarbij verbreding etc aan te bieden, daar anders de problemen zich al snel zullen herhalen.

Dit is ook de manier waarop je te werk kunt gaan wanneer je hebt besloten dat een kind kan gaan versnellen. Op die manier gaat de leerling een stuk sneller door de leerstof heen, waarbij alleen instructie wordt gegeven voor die leerstofonderdelen die in onvoldoende mate beheerst worden. Er wordt op deze manier niet nodeloos geoefend en de kans op het ontstaan van hiaten is daarbij niet erg groot.

Het kind uit het voorbeeld zit in groep 3 en het is eind januari. Wanneer de CITO-toetsen worden gemaakt op D niveau voor begin groep 5, stopt men met toetsen. Rekening houdend met allerlei factoren die nu niet worden besproken, wordt de leerling na de voorjaarsvakantie in groep 4 geplaatst. Er wordt rekening mee gehouden dat een tweede versnelling noodzakelijk kan zijn.

Een goed hulpmiddel voor scholen is de Versnellingswenselijkheidslijst van het CBO in Nimegen.

Kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong doortoetsen is een vak apart. Ze passen zich (al jaren) aan, ze kunnen perfectionistisch of faalangstig zijn. Ze laten in de klas niet zien wat ze kunnen, dus vaak tijdens het doortoetsen op school ook niet. Bovendien weet de school vaak niet wat ze met de resultaten moeten: welke materialen, wanneer en hoe.

PAS OP: veel hoogbegaafde en uitzonderlijk begaafde kinderen zijn niet goed te toetsen met de CITO-toetsen. Dan is het beter om een specialist hoogbegaafdheid in te zetten, die weet hoe deze leerling het beste getoetst kan worden.

Als je meer wilt lezen over mijn dienst Didactisch onderzoek – de basis kijk hier voor meer informatie.