Mensen hebben vaak een vertekend beeld van wat hoogbegaafd zijn inhoudt. Het zijn niet die geweldige scholieren en academische genieën die altijd maar hoog scoren. Leerkrachten die verantwoord les willen geven aan hoogbegaafde leerlingen zullen de sociale en emotionele behoeften van deze leerlingen moeten leren begrijpen.

  1. Fysieke, emotionele, sociale en intellectuele groei van hoogbegaafden is meestal ongelijk. Ze doorlopen de ontwikkeling asynchroon.
  2. Hoogbegaafde leerlingen krijgen sociale uitdagingen niet alleen van leeftijdsgenoten, maar ook van ouders en leerkrachten. Soms wordt  te veel aanpassing van hen verwacht, wat ze niet begrijpen en waarvan ze het nut niet inzien.
  3. Leerkrachten, vooral op basisscholen, ondermijnen regelmatig (onbedoeld overigens) de talenten van individuele hoogbegaafde leerlingen met de houding “Bewijs maar dat je hoogbegaafd bent.” Ze laten ook vaak merken of zeggen met zoveel woorden tegen ouders dat ze niet geloven dat hun kind hoogbegaafd is.
  4. Als ze ouder worden nemen hoogbegaafde leerlingen minder risico’s. Zeer hoogbegaafde studenten focussen meestal op waar ze goed in zijn omdat hun enige standaard van aanvaardbaarheid perfectie is. Voor sommige hoogbegaafden staat een 7 gelijk aan mislukking. Dit beperkt het gebied waarin de leerling risico’s wil nemen tot dingen waar hij in het verleden goed in was.
  5. Hoogbegaafde leerlingen zijn emotioneel bijzonder gevoelig. Één aspect van de nadelen van deze gevoeligheid is dat het kind makkelijk gekwetst is. Dit betekent dus weinig of geen tolerantie voor kritiek van anderen. (Lees hier meer over emotionele gevoeligheid).
  6. Hoogbegaafde leerlingen zijn vaak verlegen, weten dat ze verlegen zijn en weten dat vaak wordt neergekeken op hun verlegenheid (of introversie). Leraren denken vaak dat introversie, gevoeligheid en verlegenheid problemen zijn die opgelost moeten worden. Terwijl onderzoek over hoogbegaafde kinderen laat zien dat het merendeel van hen introvert en gevoelig is vanwege hun verhoogde bewustheid van zichzelf en anderen.
  7. De abstracte denkwijze van hoogbegaafde leerlingen kan conflicteren met de wens van de leraar om rationeel te denken.
  8. Aan de behoeften van hoogbegaafde leerlingen kan niet tegemoet worden gekomen met één manier van leren en lesgeven. Er is een algemeen denkbeeld over de voorkeur van hoogbegaafde leerlingen voor individueel leren. Vreemd genoeg zijn beide leerwijzen gelijk verspreid over hoogbegaafde adolescenten. Het is dus waarschijnlijk dat hoogbegaafde leerlingen voordeel hebben van beide: groepsprojecten én individuele projecten. Dat een leerling soms liever alleen werkt komt wellicht doordat hij zijn eigen gang kan gaan en zijn eigen ideeën gebruiken, omdat hij uit ervaring weet dat anderen te langzaam werken en hij dan moet wachten, omdat anderen hem vaak niet begrijpen.
  9. Hoogbegaafde leerlingen kunnen twijfelen of ze wel echt hoogbegaafd zijn: “Ben ik wel zo goed?”, is een veel voorkomende vraag die ze aan zichzelf stellen. Soms willen hoogbegaafde leerlingen hun talenten niet laten zien en maken ze expres fouten, doen alsof ze iets niet weten of hebben juist een dat-weet-ik-al-houding. Dit moet je als leerkracht leren herkennen, zodat je de leerling kunt helpen.

 

Stel je dit voor: je hebt een hoogbegaafde leerling in je reguliere klas waar hij aan een reguliere manier van lesgeven moet meedoen en moet luisteren naar uitleg en instructie die bedoeld is voor reguliere leerlingen. Maar deze hoogbegaafde leerling heeft: een andere manier van denken (abstracter, sneller, complexer), legt sneller verbanden, wil deze ook leggen omdat hij in context leert, wil begrijpen waar een stukje uitleg mee te maken heeft (top-down) om er iets van te kunnen begrijpen of weet al lang wat je gaat zeggen ver voordat je begonnen bent. Dan kan het gebeuren dat deze leerling:

  • oplet maar haakt af omdat de uitleg te lang duurt
  • haakt af omdat deze reguliere uitleg hem niets zegt
  • het verhaal niet interessant vindt omdat hij het al weet
  • haakt af omdat het verhaal te weinig diepgang heeft
  • haakt af omdat hij ineens nadenkt over wat je verhaal te maken heeft met je uitleg van gisteren of die van vorige week óf met iets wat hij op de televisie heeft gezien

 

Dit levert weer het volgende op:

  • Doordat de leerling niet (meer) oplet, mist hij een belangrijk stukken van de uitleg
  • Hij denkt te ver door en heeft daardoor moeite met het beginnen aan de opgave
  • Hij denkt op een manier waar de reguliere uitleg niet op is voorbereid, waardoor deze hoogbegaafde leerling niet begrijpt waar het over gaat
  • De leerling voelt zich incompetent, haakt af, wil niet meer werken en vindt zichzelf dom.

 

In het bovengeschetste scenario ontstaat dus ook een sociaal isolement: de hoogbegaafde leerling voelt zich onbegrepen door de leerkracht en door zijn klasgenoten. Als je wilt dat hoogbegaafde leerlingen lekker(der) in hun vel komen te zitten, moet je eerst hun leerprogramma aanpassen. Als een leerling zich incompetent voelt zal hij het sociaal ook moeilijker krijgen. Onderwijs op maat is de basis voor het welbevinden!

Als je praktische en direct toepasbare tips en tools wilt krijgen voor je eigen klas, om effectief les te kunnen geven aan de hoogbegaafde leerlingen) kun je de publicatie Hoogbegaafde kinderen versnellen niet! aanschaffen.